Veel bedrijven maken gebruik van direct marketing. Dit begrip kan worden gedefinieerd als de verzending van reclameboodschappen, schriftelijk of mondeling, aan een of meer geïdentificeerde of identificeerbare personen.

Wanneer er gebruik wordt gemaakt van direct marketing via elektronische communicatiemiddelen (bijv. e-mail, SMS…), is in principe toestemming vereist. Er is echter een uitzondering voor bestaande klanten. Ook voor onpersoonlijke adressen van rechtspersonen is geen toestemming nodig.

Hoewel direct marketing gebruikelijk is, worden de geldende regels in de praktijk niet altijd nageleefd.

Bij direct marketing gaat het in de eerste plaats om de verwerking van persoonsgegevens, en daarom moet de verordening inzake gegevensbescherming ( “GDPR”) worden nageleefd.

In de overwegingen van de GDPR wordt uitdrukkelijk gesteld dat direct marketing een legitiem belang kan vormen. Het is dus in principe mogelijk om voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van direct-marketingactiviteiten te vertrouwen op het legitieme belang van het bedrijf en niet op toestemming, mits er een evenwicht wordt gevonden tussen de belangen van het bedrijf en die van de betrokkene. Deze vraag moet telkens concreet worden onderzocht.

De mogelijkheid om direct marketing te baseren op legitieme belangen is echter niet van toepassing op elektronische direct marketing. Voor dit soort marketing moet rekening worden gehouden met een specifieke richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie (Richtlijn 2002/58/EG e-Privacy).

In België is de e-Privacy-richtlijn omgezet in het Wetboek van Economische Wetgeving (“Boek XII – Wet van de elektronische economie”) en in het Koninklijk Besluit van 4 april 2003 tot regeling van de verzending van reclame per e-mail.

In overeenstemming met de e-Privacy-regelgeving is voor elektronische direct marketing de uitdrukkelijke toestemming van de betrokken personen vereist. Sinds 25 mei 2018 moet deze toestemming ook voldoen aan de voorwaarden die de GDPR in dit verband stelt. Dit betekent dat de toestemming specifiek, geïnformeerd, ondubbelzinnig en vrij moet zijn.

In dit verband aanvaardt de FOD Economie dat een bedrijf – om die toestemming te verkrijgen – eenmalig een e-mail stuurt naar de betrokkene.

Er zijn echter uitzonderingen op de toestemmingsvereiste voor elektronische direct marketing. Deze verplichting geldt dus niet voor klanten die hun elektronische contactgegevens hebben verstrekt in het kader van de aankoop van soortgelijke producten of diensten.

Bovendien heeft de Belgische wetgever bevestigd dat de toestemmingsvereiste ook niet van toepassing is op elektronische direct marketing gericht op onpersoonlijke adressen van rechtspersonen (bv. info@, sales@). Dit is logisch omdat deze adressen geen persoonlijke gegevens bevatten.

Momenteel wordt een nieuwe e-Privacy-Verordening opgesteld, die de e-Privacy-Richtlijn zou vervangen. De e-Privacy-Verordening had aanvankelijk op hetzelfde moment als de BBPR in werking moeten treden, namelijk op 25 mei 2018, maar het wetgevingsproces heeft vertraging opgelopen.

Verwacht wordt dat de e-Privacy Verordening niet voor 2020 in werking zal treden. De huidige ontwerpteksten bevatten echter een toestemmingsvereiste dat vergelijkbaar is met die waarin de e-Privacy-richtlijn momenteel voorziet. De e-Privacy-regelgeving zou in dit opzicht dan ook geen specifieke veranderingen met zich meebrengen.

 

bron: Claeys en Engels – www.gdprbelgium.be

    X
    Bienvenue au Chat de Nath
    Une question ? La réponse ici !
    wpChatIcon